Gedragsproblemen: aangeboren of aangeleerd?

Zit agressie in je genen? Word je als crimineel geboren? Genetici zoeken al jaren naar ‘risicogenen’ die aan de basis liggen van gedragsproblemen. Psychologen leggen dan weer de nadruk op de omgeving waarin je opgroeit. Laten je ouders steken vallen in de opvoeding? Word je meegesleurd door je foute vrienden? Vele jaren onderzoek leverden interessante resultaten op. Nochtans blijken niet alle jongeren met een ‘risicogen’ of ‘risico-omgeving’ gedragsproblemen te vertonen.

Is het wel een kwestie van genen of omgeving?

Genen en omgevingGenen en omgeving zijn twee elementen die samen een rol spelen. De vraag is dus niet of gedrag bepaald wordt door genen of omgeving, maar wel hoe genen en omgeving samen gedrag beïnvloeden. Zo kunnen genetische kenmerken van een persoon meer of minder tot uiting komen in een bepaalde omgeving. Je genetische aanleg om snel bruin te worden, heeft bijvoorbeeld minder effect in een omgeving waar weinig zon schijnt, dan in een omgeving waar veel zon schijnt.

Omgekeerd kan een bepaalde omgeving enkel of sterker invloed hebben wanneer een persoon hier van nature gevoelig voor is dankzij zijn genetische achtergrond. Bijvoorbeeld leven in een warm en zonnig land zal ervoor zorgen dat personen die van nature gemakkelijker bruin worden, ook bruiner zijn dan mensen zonder deze aanleg. Willen we gedrag beter leren begrijpen, dan moeten we dus zowel de genetische kenmerken van de persoon als de invloed van diens omgeving in rekening brengen.

En hebben jullie iets interessant gevonden?

3In een grootschalig onderzoek bevroegen we 1116 jongeren uit het eerste tot derde middelbaar, hun ouders en hun klasgenoten. We ontdekten dat jongeren met bepaalde dopaminegenen (dit zijn genen die dopamine functioneren in onze hersenen bepalen) gevoeliger zijn voor de opvoeding door ouders en voor de relatie met leeftijdsgenoten. In een nadelige omgeving, waarin ouders minder regels stellen en toezicht houden of waarin leeftijdsgenoten jongeren vaker afwijzen, bleken ‘genetisch gevoelige’ jongeren meer gedragsproblemen te stellen dan jongeren zonder deze genetische gevoeligheid. Problemen lijken dus ernstiger wanneer jongeren zowel een genetisch als een omgevingsrisico hebben.

Maar eigenlijk kunnen we niet spreken van een ‘genetisch risico’, omdat dezelfde ‘gevoelige’ jongeren tegelijk meer voordeel bleken te halen uit positieve omgevingsinvloeden. In geval van veel positieve controle door ouders en weinig afwijzing door leeftijdsgenoten stelden jongeren met deze genen net minder gedragsproblemen dan jongeren zonder deze genen. Genen lijken ons met andere woorden zowel in positieve als negatieve zin gevoeliger te maken voor onze omgeving.

Hoe werkt dat dan precies?

De vraag hoe het samenspel tussen dopaminegenen en omgeving precies in zijn werk gaat, wordt nog volop onderzocht. Men vermoedt dat het te maken heeft met onze gevoeligheid voor beloning. Dopamine is namelijk een belangrijke stof in onze hersenen die bepaalt hoe gemotiveerd we zijn en hoe we omgaan met beloning. Afhankelijk van onze genetische achtergrond zal ons dopaminesysteem beter of minder goed functioneren.

HersenenJongeren met een minder goed functionerend dopaminesysteem hebben een meer extreme nood aan beloning om zich goed te voelen. In een positieve omgeving kunnen zij deze beloning halen uit positieve interacties met ouders en leeftijdsgenoten, maar in een negatieve omgeving moeten jongeren zelf op zoek naar beloning bijvoorbeeld door het stellen van gedragsproblemen. Zo wordt stelen bijvoorbeeld beloond doordat ze eindelijk die leuke I-pod hebben, of het overtreden van regels wordt toegejuicht door hun ‘foute vrienden’.

Wow stop! Even op een rijtje…

We hebben aangetoond dat genen en omgeving samen een rol spelen in gedragsproblemen bij jongeren. We ontdekten dat jongeren verschillen in hun reactie op omgevingsinvloeden afhankelijk van hun genetische achtergrond. Genen maakten hen al dan niet gevoeliger zowel in positieve (meer voordeel in een positieve omgeving) als in negatieve zin (meer kwetsbaar in een negatieve omgeving).

Erg fascinerend allemaal, maar we moeten wel realistisch blijven. Onze studie is slechts een klein stapje in de goede richting, want we bestudeerden een beperkt aantal genen en omgevingen. Verder onderzoek is dan ook heel erg belangrijk om het samenspel tussen genen en omgeving ten volle te kunnen begrijpen.

Wat hebben we nu dan eigenlijk bijgeleerd?

ProbleemjongereHet besef dat genen en omgeving samen een rol spelen, nuanceert het beeld dat we vaak hebben van ‘probleemkinderen’, ‘slechte opvoeding’, of ‘foute vrienden’. Niet elke jongere met een genetische gevoeligheid is gedoemd om vroeg of laat de pedalen te verliezen. Hetzelfde geldt voor jongeren die opgroeien in een risico-omgeving. We kunnen dus beter twee keer nadenken voor we beschuldigend met de vinger wijzen.

Dit besef is erg belangrijk voor ouders, leerkrachten of hulpverleners die te maken hebben met jongeren met gedragsproblemen. Het toont het belang van een persoonlijke begeleiding, want wat werkt bij de ene jongere kan namelijk afhankelijk van diens genetische gevoeligheid verschillen van wat werkt bij de andere . De ene jongere is bijvoorbeeld beter gebaad met een sterkere aanwezigheid van ouders, terwijl bij de andere jongere goede relaties met leeftijdsgenoten meer impact hebben op diens gedrag. Door hiermee rekening te houden verhogen we de effectiviteit van preventie- en interventieprogramma’s.

Nieuwsgierig?

Janssens, A., Van Den Noortgate, W., Goossens, L., Verschueren, K., Colpin, H., De Laet, S., . . . Van Leeuwen, K. (2015). Externalizing problem behavior in adolescence: Dopaminergic genes in interaction with peer acceptance and rejection. Journal of Youth and Adolescence, 44, 1441-1456. doi: 10.1007/s10964-015-0304-2

Belsky, J., Bakermans-Kranenburg, M. J., & van IJzendoorn, M. H. (2007). For better and for worse: Differential susceptibility to environmental influences. Current Directions in Psychological Science, 16, 300-304. doi: 10.1111/j.1467-8721.2007.00525.x

Bakermans-Kranenburg, M. J., & van IJzendoorn, M. H. (2011). Differential susceptibility to rearing environment depending on dopamine-related genes: New evidence and a meta-analysis. Development and Psychopathology, 23, 39-52. doi: 10.1017/S0954579410000635

Padmanabhan, A., & Luna, B. (2014). Developmental imaging genetics: Linking dopamine function to adolescent behavior. Brain and Cognition, 89, 27-38. doi: 10.1016/j.bandc.2013.09.011

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s